Daar ga je dan zitten op die verweerde steen of dat bankje langs het pad, de voeten moe maar je geest nog ietwat onrustig van de indrukken onderweg. De wind strijkt zacht door het gras en draagt het gefluister van bladeren met zich mee. Voor het eerst sinds uren kijk je echt om je heen—niet om de weg te zoeken, maar om te zien.
En dan dringt het tot je door: de stilte is niet leeg. Ze leeft. In het ritselen, in het zoemen, in het ritme van je eigen adem. Je bent hier niet als een eenzame passant die door het landschap trekt, maar als een deel van iets dat dat landschap al die tijd heeft gedragen.
De bomen staan niet langs je pad; ze wandelen met je mee. De aarde onder je voeten draagt niet alleen je gewicht, maar deelt je reis. Zelfs de lucht die je inademt lijkt je tocht te herkennen.
Je glimlacht even, zonder precies te weten waarom. Misschien omdat hje eindelijk begrijpt dat je nooit alleen onderweg was—dat elke stap een ontmoeting is, en dat de weg niet alleen vóór je ligt, maar ook om je heen en in jezelf voortgaat.
Eén zijn met je omgeving, stap naar stap door stad, groen en stroom. Het gaat niet om zien maar je weet nu het gaat meer om ervaren zodat alles wat moeder aarde naar je fluistert steeds maar weer passeert: zal het immer mooier worden om in op te gaan? FvD apr.’25
